Het is het lot van wie het aandurft een kunstenaar een opdracht te geven: aan de ene kant sterk genoeg zijn om de kunstenaar niet te willen beïnvloeden, en aan de andere kant voldoende moed hebben om te accepteren dat het bestelde kunstwerk wat langer op zich laat wachten. Dat het ook anders kan, zakelijker, zal waar wezen – feit is dat we blij mogen zijn dat prinses Edmond de Polignac daar niet voor koos, anders hadden we dit najaar in het Orgelpark niet kunnen genieten van het Concert voor orgel, strijkers en pauken van de Parijse componist Francis Poulenc.
Het wordt op 27 en 28 november uitgevoerd door strijkorkest Lundi Bleu, met Stijn Berkouwer als dirigent, en Klaas Koelewijn als organist. Olga de Kort verdiepte zich voor Timbres in de geschiedenis van Poulenc en zijn meesterlijke orgelconcert.
Weinig componisten kunnen op een zo voorspoedige en productieve carrière terugblikken als Francis Poulenc (1899-1963). De catalogus met zijn werken telt 185 composities, waaronder vier opera’s, koorwerken, werken voor orkest, kamermuziek en meer dan honderd liederen. Veel van deze composities danken hun plaats op Poulencs oeuvrelijstje aan een opdracht: Poulenc hoefde nooit te klagen over gebrek aan belangstelling voor zijn muziek. Al op zijn 18de trok hij de aandacht van Stravinsky met zijn eerste werk Rapsodie nègre. Het was Stravinsky die vervolgens zorgde voor de eerste publicaties van Poulencs muziek. Binnen een paar jaar deed de jonge componist heel Parijs over zich spreken als één van de nouveaux jeunes van de Groupe des Six die rond de vermaarde Eric Satie was ontstaan.
Op zijn 25ste kreeg Poulenc zijn eerste opdracht: een ballet, Les Biches, dat hij voor Djagilevs Ballets Russes componeerde. De opdrachten volgden elkaar op: Concert champêtre voor Wanda Landowska, pianoconcertino Aubade voor Marie-Laure en Charles de Noailles, opera Dialogues des Carmélites voor het theater La Scala, Sinfonietta voor de BBC, Concert voor piano en orkest voor het Boston Symphony Orchestra, Gloria voor de Koussevitsky Foundation, Sept Répons des Ténebres voor de New York Philarmonic Orchestra – enzovoort. Twee van Poulencs vijf concerten voor toetsinstrumenten, Concert voor twee piano’s en Concert voor orgel, strijkers en pauken, danken hun bestaan aan de opdrachten van prinses Edmond de Polignac.
Mecenas met een hart voor muziek
Winnaretta Eugénie Singer, de prinses Edmond de Polignac (1865-1943), werd geboren als dochter van de uitvinder van de naaimachine Isaac Singer. Ze groeide op in New York, Parijs en in Engeland, in een gezin waar muziek en kunst een belangrijk deel van de opvoeding vormden. Na de dood van haar vader erfde Winarette, net als trouwens alle andere 24 kinderen van Singer, een enorm fortuin dat haar in staat stelde zich geheel aan de muziek en kunst te wijden. In een korte tijd groeide de toen nog 18-jarige erfgename op tot ‘de muze van de moderne muziek’ en een beroemde mecenas die naar eigen zeggen alleen ‘vóór en in de muziek’ leefde.
Vijfenveertig jaar lang was haar salon the place to be voor kunstenaars, schrijvers en muzikanten. In haar huis speelden Wanda Landowska, Eugène Gigout, Maurice Duruflé, Marcel Dupré, Arthur Rubinstein, Wladimir Horowitz, Clara Haskil, Dinu Lipatti, Alfred Cortot – ook deze lijst is eindeloos. De prinses ondersteunde financieel de Ballets Russes van Djagilev, stond aan de wieg van het Orchestre symphonique de Paris, zette zich in voor de uitvoeringen van werken van Ethel Smyth en Adela Maddison en hielp Kurt Weill en Paul Hindemith bij hun vlucht uit nazi-Duitsland. Haar naam is voor altijd verbonden met de aan haar opgedragen werken, zoals 20 mélodies van Gabriel Fauré, een pianosonate van Igor Stravinsky, het pianorapsodium Alt Wien van Mario Castelnuovo-Tedesco, het symfonisch drama Socrate op dialogen van Plato van Erik Satie, El retablo de Maese Pedro van Manuel de Falla en de kameropera Les Malheurs d’Orphée van Darius Milhaud.
Tussen 1912 en 1940 heeft de prinses meer dan twintig partituren bij 27 componisten besteld. Ze liet de componisten volledig vrij en bemoeide zich nooit met het compositieproces. Wel vroeg ze het recht van de eerste uitvoering, en eiste vermelding van haar naam bij elke publicatie en publieke uitvoering van het werk.
Opus perfectum
In 1892 werd de prinses de eigenaresse van een Cavaillé-Coll-orgel. Volgens Marcel Dupré, die er in 1920 drie orgelconcerten voor de gasten van de prinses op gaf, had het orgel zeventien registers op twee manualen en pedaal.
De prinses had jarenlang orgelles van Eugène Gigout, en na zijn dood in 1925 vervolgde ze haar lessen bij Nadia Boulanger. Ze moedigde de componisten aan om voor haar orgel te schrijven en stelde het zeer op prijs als een nieuw werk ook voor haar niet te moeilijk was.
Dat was dan ook de enige voorwaarde waaraan Poulenc zich bij het schrijven van het orgelconcert moest houden. Poulenc was trouwens niet de eerste aan wie de prinses gedacht had. Hij kreeg de opdracht nadat de componist van haar eerste keuze, Jean Françaix, er te weinig tijd voor bleek te hebben.
Poulenc had er wel tijd voor, maar liet de prinses toch bijna vier jaar op haar concert wachten. Perfectionist als hij was, weigerde hij het in te leveren zolang het nog niet helemaal perfect was. Keer op keer bracht hij wijzigingen in de partituur aan, in de hoop dat de muziek uiteindelijk vrij en ontspannen zou klinken. In zijn brieven klaagde de componist hoeveel moeite het hem gekost heeft om ‘de middelen’ te vinden om zich ‘uit te kunnen drukken’. Een beetje ‘inspiratie van boven’ zou meer dan welkom zijn om de opdracht ooit af te kunnen maken. Pas in mei 1938 was Poulenc enigszins tevreden over het resultaat. Hij waarschuwde zijn opdrachtgeefster dat ze niet de ‘vermakelijke Poulenc’ van het ‘Concert voor twee piano’s’ moest verwachten, maar meer een ‘vijftiende-eeuwse’ Poulenc, ‘onderweg naar het klooster’.
Zelfs toen het concert eenmaal klaar was, dwong de componist de prinses nog tot geduld: eigenlijk wilde ze het meteen laten uitvoeren, maar Poulenc stelde de première uit. Hij had nog tijd nodig om zijn eerste orgelwerk met Nadia Boulanger door te nemen en de bijpassende registraties met Maurice Duruflé uit te zoeken.
Marie-Madeleine Duruflé herinnerde zich later hoe de componist aan haar man vertelde wat hij wilde horen, en hoe Duruflé zijn wensen in de registraties probeerde te vertalen. Alles wees erop dat ze elkaar uitstekend konden begrijpen, want zelfs een vage aanwijzing als ‘hier zou ik een beetje saaie klank willen horen’ was voor de organist duidelijk genoeg om het juiste register uit te trekken.
Het begin van het succes
De langverwachte première vond plaats op 16 december 1938 in de zaal van Hôtel Singer-Polignac. Poulenc was heel tevreden, zowel over het spel van Duruflé als over de manier waarop Nadia Boulanger het instrumentale ensemble had gedirigeerd. La Revue musicale meldde een ‘schitterende uitvoering’ van ‘een interessant concert voor orgel’. De recensent was onder de indruk van een ‘opvallend sobere stijl’ van deze ‘zeer geslaagde combinatie van pauken en orgel’. Het viel hem op dat het nieuwe werk van Poulenc ‘de taal van J.S. Bach’ sprak.
Een half jaar later, op 21 juni 1939, verzorgde Duruflé de eerste publieke uitvoering in Salle Gaveau. Deze keer echter met het Orchestre Symphonique de Paris en dirigent Roger Désormière. Hoewel Poulenc ook over deze uitvoering zeer te spreken was, miste hij toch het ‘hart en het lyrisme’ van Boulanger, iets wat zijn muziek, volgens hem, zo nodig had.
Het concert werd nog hetzelfde jaar gepubliceerd, en is sindsdien zeer geliefd bij publiek, organisten en concertprogrammeurs.
Luisterfeest
De Vlaamse organist Flor Peeters noemde Poulencs orgelconcert een groot maar ‘allerminst zwaarwichtig werk’. Erik Fokke omschreef het in zijn boek Francis Poulenc: componist, monnik en kwajongen (1999) als een ‘jubelende uiting van melancholiek gekleurde blijdschap’.
Poulenc zelf vergeleek zijn werk met een tornado. In het ruim 24 minuten durende concert laat de componist het orkest en het orgel inderdaad van een uiterst expressieve kant horen. Vanaf de eerste maten wordt de luisteraar gegrepen door een steeds wisselende dynamiek, klankrijkdom, fraaie melodische vondsten en expressiviteit. De delen volgen elkaar zonder onderbreking op en herinneren zowel aan de fantasieën en toccata’s van Buxtehude en Bach als aan de neoklassieke werken van Stravinsky. De ernstige en sobere passages wisselt hij met de vurige uitbarstingen af, waarbij de klank van het orgel contrasteert en tegelijkertijd versmelt met de klank van het orkest.
Uitvoeringen
Tijdens zijn leven woonde Poulenc verschillende uitvoeringen van zijn orgelconcert bij. Hij maakte zelfs de eerste platenopnames mee. De eerste, met organist Edwards Power Biggs en het Columbia Orchestra onder leiding van Richard Burgin, kwam in 1951 in Amerika uit. Poulenc vond het in één woord ‘uitstekend’. Tien jaar later kwamen er nog twee opnames bij: met Maurice Duruflé, Georges Prêtre en het Orchestre Nationale de l’O.R.T.F, en met Berj Zamkochian en het Boston Symphony Orchestra onder leiding van Charles Munch. De componist was ontroerd door het ‘fantastische’ spel van Duruflé op het orgel van de Parijse St. Etienne-du Mont.
Met deze zegen van Poulenc kan Duruflé in zekere zin de vader van de thans gebruikelijke speelwijze van het orgelconcert genoemd worden. Zijn terecht veelgeprezen opname is nog steeds toonaangevend.
In de daaropvolgende veertig jaar waagden zich steeds meer organisten aan de interpretatie van Poulencs Orgelconcert. Er zijn inmiddels tientallen cd-opnamen beschikbaar. Maar wie het concert écht wil beleven, komt niet onder een live uitvoering uit – alleen zo dringt de energie van Poulenc werkelijk tot je door. Van harte welkom in het Orgelpark op 27 en 28 november!













