Componistenportret: Joseph Jongen (3 maart)

Onbekend veelzijdig: componist Joseph Jongen

 

Vandaag de dag is Joseph Jongen (1873-1953) vooral bij organisten bekend, omwille van zijn Symphonie Concertante (voor orgel en orkest), en de Sonata Eroïca. Hij was echter een zeer veelzijdig musicus die een uitgebreide en afwisselende werkenlijst achterliet. Op 3 maart staat zijn muziek centraal in een concert met Leo van Doeselaar (orgel en piano), Wyneke Jordans (piano) en Gregor Horsch (cello).
 

Opleiding en begin van zijn loopbaan

Joseph Jongen werd geboren in 1873 te Luik als zoon van een meubelmaker. Hij studeerde aan de plaatselijke koorschool en het conservatorium, waar hij aanvankelijk werd gevormd tot briljant pianist.  

In 1890 installeerde Pierre Schyven een orgel in de concertzaal in Luik. Het instrument was gebouwd voor een tentoonstelling in Brussel. Het is gelukkig bewaard gebleven en werd in 2005 gerestaureerd door Thomas. Het inspelingsconcert (door Widor, Mailly en Danneels) liet een enorme indruk achter. Bovendien waren de plaatselijke kerken zijn talent als zanger niet vergeten. Jongen werd dan ook steeds meer gevraagd om de diensten te begeleiden. Hierdoor ging hij orgel en compositie studeren.

 

Joseph Jongen als jonge man

 

Pedaalpiano

Aangezien men er in de orgelklas van uitging dat de studenten reeds over een vlekkeloze vingertechniek beschikten, lag de nadruk op de pedaaltechniek, en elke orgelstudent moest een pedaalpiano aankopen. Dit lag boven de financiële mogelijkheden van het gezin, maar de vader gebruikte zijn ervaring als meubelmaker om het pedaalklavier van het orgel te kopiëren en te bevestigen aan een piano. In 1896 behaalde Joseph het Concours Supérieur voor orgel met een gigantisch programma en een improvisatie van een half uur. Toen had hij al (zowel voor orgel als piano) een voorkeur voor muziek van Bach, Franck en zichzelf. Deze componisten vinden we gedurende zijn leven terug op bijna alle concertprogramma’s.

 

Wagneriaanse cantate

Tijdens zijn studie had Jongen kennis gemaakt met de muziek van Franck, d’Indy en Debussy, maar ook met de nieuwe Duitse componisten onder wie Strauss. De Prix de Rome (1897) vormde de bekroning van zijn studie. Dit was een tweejaarlijkse compositiewedstrijd waarbij de kandidaten een Wagneriaanse cantate moesten componeren.  Deze overwinning kreeg een enorme weerklank: Jongen werd plotseling gezien als de gelijke van Franck, Lekeu en Ysaÿe.

De winnaar kreeg een beurs om de belangrijke muzikale centra in Europa te bezoeken. Jongen kon kennismaken met tal van componisten en virtuozen. Dit betekende dat hij voor alle bezettingen kon componeren en zich verzekerd wist van de steun van vooraanstaande uitvoerders. Bij zijn terugkeer in 1902 werd hij harmonieleraar aan het conservatorium van Luik en genoot hij een stevige reputatie als piano-, orgel- en harmoniumvirtuoos.

 

De Eerste Wereldoorlog en het Belgian Quartet

In 1914 vluchtte Jongen met zijn gezin voor de Duitse invasie en slaagde er in Engeland te bereiken. Hij stichtte er met Desiré Defauw (viool), Lionel Tertis (altviool) en Emile Douhaerd (cello) het Belgian Quartet. Zij speelden moderne kamermuziek van onder anderen Debussy, Rachmaninov, Ravel, Ireland enzovoort. Toch werd het orgel niet helemaal vergeten en zo ontstonden de charmante orgelwerken Chant de May en Menuet-Scherzo. Bij zijn terugkeer in 1919 werd Jongen aangesteld als leraar fuga aan het conservatorium van Brussel. Van 1925 tot 1939 zou hij deze instelling leiden.

 

Het orgel als concertinstrument

In de eerste helft van de 20ste eeuw werd het het orgel niet louter liturgisch gebruikt. In het rijke België kon men vele huisorgels aantreffen. Zo had Anna Boch een salon waarin schilderijen van Van Gogh, Gaugin en Saurat te bewonderen waren, naast een orgel van Mutin. Ook werd de industriële vooruitgang regelmatig getoond in prestigieuze tentoonstellingen, waarbij orgels werden gebouwd.

 

Jongen aan het componeren in zijn werkkamer

Jongen was actief betrokken bij de realisatie van een aantal grote concertinstrumenten. In 1930 voltooide de firma Stevens een orgel voor het nieuwe Paleis voor Schone Kunsten  (deze zaal werd ontworpen door Victor Horta en heet nu Bozar). Het instrument werd ingespeeld door Jongen en Paul de Maleingreau, toenmalig orgelleraar aan het conservatorium te Brussel. Jongen schreef speciaal voor deze gelegenheid in vijf dagen tijd zijn grootste orgelwerk: de Sonata eroïca. Helaas is het orgel verloren gegaan; in 2017 werd een nieuw concertorgel voltooid in de oude kast.

In hetzelfde jaar componeerde Jongen de Humoresque voor cello en orgel. Deze werd gecreëerd op een orgel van Cavaillé-Coll-Mutin-Convers, dat werd gebouwd voor een tentoonstelling in Luik. In 1935 werd de Toccata opus 104 geschreven voor de inspeling van een Klais-orgel op de tentoonstelling in Brussel (dit instrument werd later opgenomen in het orgel van de kathedraal van Gent). In 1940 tenslotte speelde Jongen zijn eigen Symphonie concertante met orkest tijdens de ingebruikname van een groot orgel in studio 4 van Flagey, de toenmalige radiostudio (het orgel van Delmotte wacht momenteel op restauratie).

 

137 opusnummers

Toen Joseph Jongen in 1953 overleed waren 137 opusnummers uitgegeven. Hij schreef voor alle mogelijke genres en bezettingen (behalve opera) en wist uiteenlopen invloeden samen te brengen tot een samenhangend geheel.



 

Word
Gast
vriend

Word GastVriend van het Orgelpark

Bezoek alle Orgelpark concerten voor slechts 70 euro per jaar. Daarmee helpt u ons om het orgel een nieuwe plaats te geven in het actuele muziekleven en geeft u jong talent de kans op te treden in een bijzondere ambiance.

Lees meer

Stichting Utopa actualiseert en stimuleert creatieve talenten van mensen

Lees meer
Muziekspeler
Kies een muziekstuk